Mme De Backer a été entendue par la commission le 14 mai 1997 à propos de ses points de vue concernant le Rwanda et les contacts qu’elle entretenait en Belgique : " ... met betrekking tot de eerste vraag over de parallelle diplomatie moet men eerst een definitie geven over " parallelle diplomatie ". Ondanks het feit dat ik niets onwettig en denigrerend zie in deze term waarin ik trouwens op dezelfde lijn zit als de huidige staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking heb ik niet de indruk dat ik aan parallelle diplomatie heb gedaan. Ik was van 1984 tot 1989 lid van het Europees Parlement en ik werd daar woordvoerder coördinator zoals men dat noemt voor de fractie van de commissie ontwikkelingssamenwerking en van het paritair comité ACPCE, African Caribian Pacific Comittee EU. Tijdens deze periode heb ik de kans gehad om ongeveer alle subsaharische landen te bezoeken en er missies te begeleiden of voor te zitten naar bepaalde projecten van de Europese Unie en om de politieke toestand daar te bekijken. Dit heeft mij de kans gegeven om te praten met ongeveer iedereen, met de landbouwers uit de heuvels, met de ambtenaren, met de handelaars uit de steden, de afgevaardigden van de Europese Unie en de ambtenaren aldaar. Ook had ik gesprekken met de verschillende autochtone politici van die verschillende landen, zowel met de ambtenaren, burgemeesters en prefecten als met de ministers en presidenten. Ik had tevens de gelegenheid te praten met de ambassadeurs en de verantwoordelijken voor ontwikkelingssamenwerking in die verschillende landen. Dat gaf me dan weer de mogelijkheid andere mensen van de civiele gemeenschap te benaderen omdat zij goed wisten wie iets belangrijks kon zeggen. Terug in België heb ik de verschillende ministeries die daarin geïnteresseerd waren ingelicht over mijn ervaringen in de verschillende landen. Dat was zowel Buitenlandse Zaken als Ontwikkelingssamenwerking en Landsverdediging. Omdat ik in verschillende landen kwam waar de situatie erg moeilijk was dat was niet alleen Rwanda en Burundi maar dat was bijvoorbeeld ook Madagascar en een aantal andere landen nam ik vóór mijn vertrek naar die landen contact op met de kabinetten van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Landsverdediging. Ik bezocht deze landen dus als lid van het Europees Parlement en dit gebeurde in overeenstemming en na overleg met vooral Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Men kan zich natuurlijk afvragen waarom ik deze landen nog bezocht nadat ik het Europees Parlement had verlaten. Ik was namelijk adviseur van de Afrika-stichting en in die hoedanigheid werd ik vaak op pad gestuurd, wanneer het voor de Europese Parlementsleden wegens andere verplichtingen niet mogelijk was om deze vrij langdurige missies te ondernemen. "

En ce qui concerne son point de vue sur le fond, Mme De Backer a déclaré :

" Ik vond de akkoorden van Arusha een goede poging om ondanks alles de vrede te herstellen, maar ik heb ze tegelijk altijd zeer moeilijk uitvoerbaar geacht. Dat is achteraf trouwens ook gebleken. Ik stond met deze mening trouwens niet alleen, ook ministers vonden de akkoorden moeilijk uitvoerbaar. Eenmaal ze getekend waren, heb ik mijn uiterste best gedaan samen met minister Claes, minister Derycke en met minister Delcroix om de hinderpalen bij het installeren van de overgangsinstellingen op te lossen. Wij waren daarin bijna helemaal geslaagd op het ogenblik dat de president werd vermoord.

Om terug te komen op mijn onderhoud met de heer Jaenen : het langste onderhoud dat ik ooit met hem heb gehad was toen er pogingen werden ondernomen om ten minste bepaalde verkiezingen te organiseren na de grondwetsherziening en de invoering van het pluripartisme. Of die verkiezingen op het gemeentelijk niveau dan wel presidentsverkiezingen moesten zijn, daar hadden wij het nog niet over. Het belangrijkste leek ons dat er verkiezingen plaatsvonden. Het is trouwens nog altijd mijn mening dat het zelfs in een land in oorlog beter was verkiezingen te organiseren.

Sommigen, zoals de heer Jaenen, vonden dat geen goede uitweg, omdat dit een overwinning voor het MRND zou bezorgen. Persoonlijk was ik ervan overtuigd dat niet de MRND, maar de NDR de verkiezingen zou hebben gewonnen.

Achteraf bleek ook dit een onjuiste inschatting. Ondanks de vele plannen voor verkiezingen en voor het installeren van de democratie die we hadden uitgewerkt ik begrijp best dat wij daarin niet werden gevolgd, wie zijn wij per slot van rekening is daar niets van in huis gekomen. Dat was alleszins een van de belangrijkste items die ik met de heer Jaenen heb besproken (...). " (381c)

En ce qui concerne l’opinion selon laquelle la Belgique aurait excessivement pris parti pour le FPR, Mme De Backer a déclaré :

" Voor de Arusha-akkoorden was dit zeker niet het geval. Toen stelden Belgische regering en de Belgische ambassade zich veel meer neutraal op. Dat is heel duidelijk. Tijdens de Arusha-besprekingen wist het RPF zeer goed dat het in een democratisch regime met democratisch spelregels nooit aan de bak zou komen. Daarom wilde het bepaalde waarborgen, wat best te begrijpen valt. Zij dreven hun waarborgen echter altijd maar op, zodat men uiteindelijk gekomen is tot een bijna fifty-fifty-verhouding RPF-gezinden en presidentsgezinden, " mouvance présidentielle et mouvance FPR ". Dat heeft precies de uitvoering van de akkoorden onmogelijk gemaakt. Men kan moeilijk 15% van de bevolking de helft of liefst meer dan de helft van de macht toekennen. Dat was mijn kritiek. Toen de akkoorden echter eenmaal getekend waren, heb ik ze ten volle verdedigd en alles gedaan om ze ten uitvoer te laten brengen" (382c).

M. Jaenen a déclaré devant la commission que " Selon Mme De Backer notre politique favorisait trop le FPR. (...) C’était ce qu’elle pensait de l’ensemble de la politique belge au Rwanda " (383c).

M. Léon Saur a déclaré : " ... Il y avait sûrement une volonté de faire passer les idées du MRND en Belgique et de conseiller celui-ci. L’IDC s’y est attachée et, plus spécialement, André Louis et Rika De Backer. (...) Au moins jusqu’au mois d’octobre 1994 " (384c).

Dans son télex nº 107 du 7 février 1994 adressé au ministre des Affaires étrangères, l’ambassadeur Swinnen écrit : " Mevrouw De Backer wil vermijden dat de MRND en de president het programma (van het bezoek van Wilfried Martens) ingrijpend bepalen en omkaderen. Daarom wordt liefst niet ingegaan op het eventueel aanbod van présidence of partij om vervoermiddel permanent ter beschikking te stellen. Voor het leggen van contacten met andere politieke gesprekspartners wordt beroep op de ambassade gedaan (...). Het bezoek van ex-premier Martens gaat uw bezoek met nog geen tien dagen vooraf. Zonder afbreuk te willen doen aan het eigen doch ondergeschikte karakter van het eerste bezoek, dienen tegenstrijdige signalen vermeden te worden, daarbij rekening houdend met de uiterst delicate en kritieke toestand waarin het land zich bevindt en met de exploitatie van de Belgische factor door sommige Rwandese partijen. Daarom lijkt het mij aangewezen dat de heer Martens met u of uw kabinet/administratie een voorafgaand gesprek voert betreffende zowel inhoudelijke als praktische aspecten. Mevrouw De Backer deelt mijn mening en zal de heer Martens in die zin per telefoon adviseren. "

Mme De Backer a été invitée à donner des précisions en ce qui concerne la conversation téléphonique qu’elle a eue avec Eugène Nahimana en préparation de la visite de Leo Delcroix au Rwanda, conversation qui a été reproduite dans le fax ainsi que dans le brouillon de celui-ci " destination MRND Kigali- copie pour information Presirep-confidentiel ". Mme De Backer a elle-même déclaré à cet égard : " Op een bepaald moment word ik opgebeld door een Rwandees student in Brussel. Die zegde : " Het is de gewoonte als iemand de president bezoekt, dat de president weet met wie hij te maken heeft. Kunt u daar enkele details over geven ? " Ik heb daar niet veel over kunnen geven. Hij vroeg ook of er zaken waren die benadrukt moesten worden. Het voornaamste dat ik gezegd heb en dat staat niet in de fax is " verspil uw tijd niet aan bepaalde details die de ronde doen over het minder goede gedrag van de Belgische Blauwhelmen. Ten eerste omdat minister Delcroix dat weet en ten tweede omdat hij zijn voorzorgen heeft genomen en de mensen die daarbij betrokken waren terug naar België zijn gegaan. " Ik zei verder dat hij dat kon zeggen, maar daar niet de nadruk hoefde op te leggen om zo geen heel slecht beeld op te hangen van de Belgische Blauwhelmen. Wat volgens mij wel moest gezegd worden, was dat er een grote wrevel bestaat vanwege de Rwandezen omdat bij het vervoeren van de FPR-soldaten van Malindi naar het Parlement, die vergezeld waren door Belgische Blauwhelmen er volgens hen er veel meer zijn meegekomen dan volgens de akkoorden van Arusha mocht. In plaats van de afgesproken 600 zijn er veel anderen meegeglipt, beweert men. Dit heeft bij de Rwandezen veel kwaadheid teweeggebracht. Ik heb gepleit om de gesprekken in positieve zin te voeren om daaraan iets te kunnen doen. Men heeft mij dan gevraagd : " Wie gaat er mee in de delegatie van minister Delcroix ? " In alle eerlijkheid, ik wist niets over de samenstelling en ik heb hem dat ook gezegd. Ik heb gezegd : " Dat heeft geen belang, want men moet alle parlementsleden en alle journalisten op dezelfde manier behandelen. " Er werden enkele vragen gesteld over de partijen waartoe sommigen behoorden. Zij hadden een lijst, ik niet. Die opdeling in categorieën heb ik zeker niet gemaakt. Ik heb ook niet gezegd die is zo en die is zo. Dat moet worden toegeschreven aan de speurdersmogelijkheden van degene die mij telefoneerde, dus niet degene die de fax stuurde, maar daar ben ik pas later achtergekomen. Murayi heeft de fax verstuurd, maar niet getelefoneerd. Het enige wat er geweest is, is een telefoongesprek, maar ik heb daarin geen appreciaties gegeven van de mensen. Trouwens wie mijn opvattingen kent, ziet als hij de lijst bekijkt, dat de aanwijzingen niet overeenstemmen met mijn opvattingen " (385c). En ce qui concerne l’origine de ces documents, ils portent tous deux la signature de M. Paulin Murayi, " pour la section MRND Belgique ". M. Murayi nie cependant formellement être concerné en quoi que ce soit par ce fax. La commission constate qu’il ressort peut-être de la comparaison des signatures que le fax n’a pas été signé par M. Murayi, mais bien par Eugène Nahimana.

Dans le fax adressé au MRND, dont une copie a été transmise au président Habyarimana, figurent non seulement une liste d’appréciation individualisée et détaillée des parlementaires et journalistes qui font le voyage avec le ministre (favorables, non favorables, ami de Mme De Backer, etc.), mais aussi un appel à cacher au ministre l’attitude antibelge existante que certains membres du MRND adoptaient à l’égard des militaires belges qui se trouvaient au Rwanda.

" Avons contacté Mme De Backer pour de plus amples renseignements sur la délégation qui accompagne le ministre Delcroix. Après un long entretien avec Mme De Backer, il convient : (1) d’encadrer au plus haut niveau si possible M. Delcroix récemment nommé au Ministère de la Défense et ancien secrétaire général du parti social-chrétien flamand, le CVP, proche et favorable au MRND. D’après Mme De Backer, M. Delcroix se bat au gouvernement pour que celui-ci continue à aider le Rwanda. (2) d’éviter de lui montrer durant son séjour le mépris et la méfiance de certains de nos militants (MRND) envers les Casques bleus belges. Le ministre n’appréciera pas qu’on puisse dire du mal des militaires belges. Il est très conscient qu’il y a eu des dérapages et que certains militaires belges de jeune âge peuvent être entraînés à de mauvais comportements mais, de grâce, Mme De Backer nous conseille de ne pas insister sur ces comportements des Casques bleus belges. Elle aimerait que ce soit les autres instances comme la présidence, le Minadef qui y fassent allusion mais sans trop manifester qu’on est totalement contre les militaires belges. "

Eu égard à la longueur du fax et aux informations précises qu’il contient, la commission constate que ce message peut difficilement être la reproduction d’une conversation téléphonique qui n’aurait duré que " quelques minutes " d’après Mme De Backer, " de trois à quatre minutes " d’après M. E. Nahimana. Cependant, Eugène Nahimana a déclaré devant la commission que le contenu du fax ne correspond en aucun cas avec la conversation qu’il a eue avec Mme De Backer.


Source : Sénat de Belgique