Voltaire Netwerk

Clinton, Juppé, Erdoğan, Daesh en de PKK

De hervatting van de bestrijding van de Koerden in Turkije is slechts het gevolg van de onmogelijkheid het plan Juppé-Wright van 2011 uit te voeren. Terwijl het makkelijk was Daesh in de Syrische woestijn en in de provincies Ninive en d’el-Anbar (Irak), met een meerderheid van Soennieten, te ontplooien, is het onmogelijk gebleken de Koerdische bevolkingen in Syrië onder controle te krijgen. Om zijn droom van een Koerdistan buiten Turkije te verwezenlijken heeft Recep Tayyip Erdoğan geen andere keus dan een burgeroorlog.

| Damascus (Syrië)
+
JPEG - 24 kB
Het in 2013 gepubliceerde plan Wright nam elementen over van het plan Juppé voor Libië , Syrië en Irak. Robin Wright gaat echter verder door de toevoeging van projecten voor Saoedi Arabië en Jemen.

Toen ze in Ankara aan de macht kwam, heeft de Islamistische partij AKP de strategische prioriteiten van Turkije gewijzigd. Eerder dan zijn machtsverhoudingen van na de « Woestijnstorm » als basis te nemen, ambieerde Recep Tayyip Erdoğan zijn land uit het isolement te halen waarin het zich sinds de val van het Ottomaanse rijk bevond. Steunend op de analyses van zijn raadsman, professor Ahmet Davutoğlu, was hij van plan de sinds een eeuw onopgeloste problemen met de naburige landen op te lossen en langzamerhand de onontkoombare regionale bemiddelaar te worden. Ten dien einde moest hij zowel een politiek model worden als relaties met zijn Arabische partners opbouwen, zonder zijn bondgenootschap met Israël te verliezen.

Door een succesvol begin leidde —deze zogenaamde « nul problemen »-politiek er niet alleen toe dat Ankara Damascus en diens steun aan de PKK niet meer vreesde, maar zelfs diens hulp aanvroeg voor het onderhandelen van een oplossing van de crisis. In 2006 riep de Koerdische partij eenzijdig een wapenstilstand uit en begon met de regering Erdoğan te onderhandelen. In mei 2008, organiseerde Ankara indirecte onderhandelingen tussen Damascus en Tel-Aviv, voor het eerst sinds de verwerping door Ehud Barack van het plan van Bill Clinton en Hafez el-Assad. Maar president Bachar el-Assad maakte er een einde aan toen Israël Gaza aanviel in december 2009.

Toen hij realiseerde dat het door het Palestijnse conflict onmogelijk was met alle omliggende Staten goede relaties te onderhouden, koos Ankara ervoor de Palestijnen te steunen tegen Israël. Dat waren de episodes van Davos en van de Vloot van de vrijheid. Nu beschikkend over een brede populaire steun in de Moslimwereld benaderde Ankara Teheran en accepteerde in november 2010 deel te nemen aan een gemeenschappelijke Turks-Iraans-Iraaks-Syrische markt. De visa’s werden afgelast; de invoerrechten aanzienlijk verminderd; een consortium werd opgericht voor het beheren van de aardolie- en aardgas-leidingen; een autoriteit werd gecreëerd om samen de waterbevoorrading te beheren. Het geheel was zo aantrekkelijk dat Libanon en Jordanië zich kandidaat stelden. Een duurzame vrede leek mogelijk in de Levant.

Toen in 2011 het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zich in een dubbele oorlog stortten tegen Libië en Syrië, op verzoek van de Verenigde Staten, verzette Turkije zich er logischerwijs tegen. Deze oorlogen, onder het mom van bevolkingsbescherming, waren tè zichtbaar neokoloniale ondernemingen. Bovendien berokkenden ze schade aan de Turkse belangen want Libië was één van zijn belangrijkste economische partners en Syrië werd er één door de nieuwe gemeenschappelijke regionale markt.

En toen was het dat alles omkantelde…

Hoe Frankrijk Turkije heeft doen omkantelen

Op initiatief van de Franse minister van Buitenlandse zaken, Alain Juppé, stelde Paris in maart 2011 in het geheim aan Turkije voor diens kandidatuur voor toetreding tot de Europese Unie te steunen en het met de regeling van zijn Koerden-probleem te helpen, als Turkije van zijn kant ten oorlog zou trekken tegen Libië en Syrië. Van de Franse kant was dit voorstel radicaal nieuw, want Alain Juppé was sterk gekant tegen de intrede van Turkije in de Unie toen hij de de Gaullistische partij leidde en collaborateur was van Jaques Chirac. Maar, toen hij werd veroordeeld voor corruptie in Frankrijk had hij zich in 2005 geëxileerd in Noord-Amerika, en had cursussen gegeven in Quebec terwijl hij stage liep in het Pentagon. Bekeerd tot het neokolonialisme keerde hij naar Frankrijk terug en werd door Sarkozy als minister van Defensie gekozen, en vervolgen als minister van Buitenlandse zaken.

Terugblikkend onthult het plan van Juppé de Franse bedoelingen: er is hier sprake van de creatie van een Koerdistan in Irak en in Syrië volgens de kaart die twee jaar later door Robin Wright in de New York Times werd gepubliceerd en uitgevoerd samen door het Islamitisch Emiraat, de regionale Regering van het Iraakse Koerdistan en voormalige medewerkers van Saddam Hoessein verbonden aan het Moslimbroederschap. Het document, mede ondertekend door Alain Juppé en zijn Turkse homoloog Ahmet Davutoğlu, lijdt geen twijfel: Frankrijk wilde opnieuw een koloniaal rijk stichten in Syrië. Bovendien had Frankrijk connecties binnen de Islamistische bewegingen en voorzag de creatie van Daesh. Om Juppé’s plan te garanderen verplichtte Qatar zich om massief te investeren ten Oosten van Turkije in de hoop dat de Turkse Koerden de PKK los zouden laten.

Dit plan is tot vandaag de dag geheim gebleven. Indien Franse of Turkse parlementariërs er in slaagden er wettelijk een kopie van te krijgen zou dat ruim genoeg zijn om MM. Juppé en Davutoğlu voor het Internationaal gerechtshof te vervolgen wegens misdaad tegen de menselijkheid.

In tegenstelling tot een verbreide misvatting zijn de Koerden diepgaand verdeeld. In Turkije en in Syrië heeft de PKK, in oorsprong Marxist-Leninist, altijd een anti-imperialistisch standpunt verdedigd. Terwijl de Koerden van Irak, verbonden aan Israël sinds de Koude oorlog, altijd de bondgenoten van de Verenigde Staten zijn geweest. De twee groepen spreken niet dezelfde taal en hebben een heel verschillende geschiedenis.

Het is waarschijnlijk dat de Verenigde Staten van hun kant voorstelden het Turkse politieke model in de Arabische wereld te bevorderen en de AKP te helpen de politieke partijen die uit het Moslimbroederschap ontstonden te encadreren, opdat Turkije het centrum van het toekomstige Midden-Oosten zou worden. In ieder geval steunde Recep Tayyip Erdoğan in extremis het project van de Navo dat de AfriCom verving na de revolte van zijn commandant [1].

Onmiddellijk mobiliseerde Ankara de inwoners van Misrata in Libië. Deze zijn in meerderheid afstammelingen van Joodse soldaten van het Ottomaanse rijk, de Adghams, en de nomadische zwarte slavenhandelaars de Muntasirs, die de Jonge Turken hadden gesteund. Zij vormden de enige belangrijke groep Libiërs om Tripoli aan te vallen [2].

Tegelijkertijd organiseerde Ankara meerdere vergaderingen van de Syrische oppositie in Istanboel vanaf 2011. Tenslotte constitueerden de Moslimbroeders de nationale Syrische raad in oktober door het samenbrengen van diverse groepen politieke en minderheids-afgevaardigden.

De Navo ziet ervan af Syrië te overvallen

De implicatie van de Navo in Libië constaterend, ging Ankara logischerwijs uit van een identieke Navo-implicatie in Syrië. Maar ondanks talrijke aanslagen en een aanhoudende internationale perscampagne, was het net zo onmogelijk de bevolking in opstand te brengen als op een geloofwaardige manier de massale misdaden aan president el-Assad toe te schrijven. En vooral, Moskou en Peking, ontzet door de Libische affaire, opponeerden in de Veiligheidsraad tot drie keer toe tegen alle resoluties die voorgaven de Syriërs tegen hun regering te « beschermen » (oktober 2011, februari en juli 2012).

Washington en Londen gaven het dus op, terwijl Parijs en Ankara er in bleven geloven [3]. De twee Staten wierpen een nauwe samenwerking op, dat in september 2012 ging tot het plannen van moord op de Syrische minister van Buitenlandse zaken Walid al-Mouallem en op président Bachar el-Assad.

De aanslag die prins Bandar ben Sultanin in Ryad trof als vergeldingsmaatregel voor de moord op leden van de nationale Syrische veiligheidsraad in juli 2012, liet de internationale jihadisten-beweging ouderloos. Hoewel de prins zijn wonden overleefde, kwam hij pas een jaar later uit het ziekenhuis en was nooit meer in staat de rol te spelen die hij tot dan had. Recep Tayyip Erdoğan maakte van de gelegenheid gebruik hem te vervangen. Hij ging persoonlijke betrekkingen aan met Yasin al-Qadi, de bankier van al-Qaeda, die hij heimelijk talrijke keren ontving in Ankara. Hij hield toezicht op de talrijke groepen jihadisten, oorspronkelijk gecreëerd door de Amerikanen, de Britten en de Fransen.

In januari 2013, bij de ingreep in Mali, verwijderde Frankrijk zich van de Syrische jihadisten en liet de militaire operaties over aan Turkije, ook al hield ze ter plaatse enkele legionairs aan. Niet lang daarna werd de emir van Qatar, sjeik Ahmad door Washington gedwongen af te treden, waar men hem verweet —op Russische aangifte— dat hij zijn faciliteiten tegen de Amerikaanse economische belangen gebruikte. Zelfs voordat zijn zoon, sjeik Tamim, hem opvolgde was het merendeel van de financiering van de oorlog overgenomen door Saoedi Arabië.

Om van deze steun gebruik te maken begon Recep Tayyip Erdoğan aan dezen en genen te beloven dat de Verenigde Staten de veto’s van Rusland en China zou negeren en de Navo in de bestorming van Damascus zou lanceren. Van de verwarring gebruik makend organiseerde hij de plundering van Syrië met de ontmanteling van alle fabrieken van Aleppo, de economische hoofdstad, en het stelen van de werktuigmachines. Voorts organiseerde hij de diefstal van de archeologische schatten en installeerde daarvoor een internationale markt in Antiochië [4]. Toen er nog steeds niets gebeurde organiseerde hij met de hulp van generaal Benoît Puga, stafchef van het Parijse Elysée, een valse vlag operatie om de intrede van het Atlantische bondgenootschap tot oorlog te provoceren: het chemische bombardement van de wijk Ghouta van Damascus, in augustus 2013. Maar Londen ontdekte de mystificatie onmiddellijk en weigerde zich te engageren [5].

Turkije nam deel aan de etnische zuivering en de opdeling van Irak en Syrië, bekend onder de naam « plan Wright ». De aanwezigheid van de Turkse geheime diensten in de voorbereidende vergaderingen van Daesh in Amman Jordanië is aangetoond door de publicatie van een beslissingsafschrift door de PKK. Het « plan Wright » herneemt evenwel het « plan Juppé » die Turkije ervan had overtuigd zich in de oorlog te mengen. Nadien nam Recep Tayyip Erdoğan zelf het commando van de terroristische organisatie Daesh over, zowel zorgend voor zijn wapenvoorziening als voor de verkoop van zijn aardolie.

Angstig de voorbesprekingen tussen Washington en Teheran volgend, maakte Ankara zich ongerust over een vredesakkoord dat het aan de kant van de weg zou laten liggen. Op verzoek van zijn Russische homoloog Vladimir Poetin accepteerde M. Erdoğan deel te nemen aan het gasleiding project Turkish Stream dat erop gericht was het Amerikaans monopolie te breken en het Europese handelsembargo te omzeilen. Vervolgens, bracht hij de moed op om zijn Iraanse homoloog, sjeik Hassan Rohani, te bezoeken. Deze verzekerde hem dat hij niets te vrezen had van het in onderhandeling zijnde akkoord. Maar toen het getekend was werd het duidelijk dat het geen enkele plaats voor Turkije in de regio overliet.

Het was geen verrassing dat Recep Tayyip Erdoğan 24 juli een ultimatum ontving van president Obama dat hem op het hart drukte
- onmiddellijk van de Russische gasleiding af te zien
- zijn steun aan Daesh te beëindigen —waar hij uitvoerend commandant van was geworden achter het scherm van kalief Abou Bakr al-Baghdadi— en er oorlog tegen te voeren.

Om de druk te vergroten had Barack Obama het over de mogelijkheid Turkije, na overleg met het Verenigd Koninkrijk, uit de Navo te verwijderen, hoewel dit in het verdrag niet is voorzien.

Na zich hevig te hebben verontschuldigd en de Verenigde Staten vergunning te hebben verleend de basis van Incirlik tegen Daesh te gebruiken, nam M. Erdoğan contact op met de speciale gezant van de Anti-Daesh coalitie, generaal John Allen, bekend voor zijn verzet tegen het akkoord met Iran. De twee mannen kwamen overeen de woorden van president Obama te interpreteren als een aanmoediging om tegen het terrorisme te strijden, waartoe ze ook de PKK rekenden. Zijn bevoegdheden overschrijdend verbond de generaal zich tot het creëren van een 90 km brede niet-vliegzone op Syrisch grondgebied langs de hele Turkse grens, zogenaamd ten behoeve van de Syrische vluchtelingen die onder bedreiging van hun regering zouden zijn, maar in werkelijkheid om het « plan Juppé-Wright » uit te voeren. De Turkse Eerste minister Ahmet Davutoğlu onthulde over de zender A Haber de Amerikaanse steun aan dit project en lanceerde de bombardementen tegen de PKK.

Generaal John Allen was er al twee keer in geslaagd de oorlog tegen Syrië te verlengen. In juni 2012 complotteerde hij met generaal David Petraeus en Staatssecretaris Hillary Clinton om het in Genève overeengekomen akkoord tussen Washington en Moskou voor de vrede in het Midden-Oosten te saboteren. Dit akkoord voorzag onder andere in vrede in Syrië —hoewel Damascus niet was uitgenodigd aan deze conferentie—, maar het was even onaanvaardbaar voor de neoconservatieven als voor de Amerikaanse « liberale haviken ». Het trio Clinton-Allen-Petraeus steunde op de nieuwe Franse president François Hollande, en zijn nieuwe minister van Buitenlandse zaken, Laurent Fabius om een conferentie te ontbieden van de « Vrienden van Syrië » en het communiqué van Genève te verwerpen. President Obama, op het hoogst van de verkiezingscampagne, kon zijn medewerkers niet straffen, maar op de dag na zijn herverkiezing liet hij David Petraeus et John Allen, die hij in een seksuele val had laten lopen, arresteren. Hillary Clinton handhaafde zich nog enkele weken maar moest zich snel terugtrekken na een « ongeluk ». Kortom, alleen Petraeus werd veroordeeld terwijl Allen werd witgewassen en Clinton —net als Juppé— bereidt zich voor op de volgende presidentsverkiezingen.

Het trio Clinton-Allen-Petraeus poogde in december 2014 een tweede operatie en slaagde er inderdaad in de Conferentie van Moskou te saboteren. Door de Moslimbroeders te beloven het « plan Juppé-Wright » uit te voeren overtuigden ze de Nationale Syrische coalitie ervan elke vredesdiscussie te weigeren. In het voorbijgaan bewijst deze episode dat het doel van de Nationale Syrische coalitie niet is het regime in Syrië te veranderen maar wel het land en zijn Staat te vernietigen.

Bij het vernemen van de feiten tijdens zijn Afrikaanse reis liet president Obama officieel de deelname eraan van generaal Allen ontkennen, erkende Turkije het recht de PKK te bestrijden, maar niet buiten Turkije zelf. President Erdoğan riep toen een vergadering van de Atlantische raad bijeen om die te informeren over zijn intrede in de Anti-terroristen coalitie en over zijn dubbele actie tegen Daesh en de PKK. Op 29 juli antwoordden de geallieerden koudweg dat ze hem steunden in zijn actie, maar hem alléén het recht toekenden de PKK in Irak en Syrië te bombarderen in geval van « vervolging » —d.w.z. indien de PKK bases in het buitenland gebruikt om tegen Turkije troepen te lanceren of terug te trekken—.

Bovendien heeft president Obama zijn speciale afgevaardigde voor Syrië, Daniel Rubinstein van zijn functies ontheven, en heeft hem vervangen door Michael Ratney, zowel een specialist van het Midden-Oosten als van de communicatie. Hij heeft als belangrijkste taak de handelingen van generaal Allen in de gaten te houden.

Turkije gaat de burgeroorlog in

Tot vandaag hebben de acties van het Turkse leger tegen de PKK geen enkele wettelijke rechtvaardiging in het internationale recht. De twee regeringen hebben aangifte gedaan van aanvallen op hun grondgebied. Vanuit het Amerikaanse standpunt zijn de PKK en het Arabisch Syrische leger —d.w.z. dat van de republiek— de enige doeltreffende grondstrijdkrachten tegen Daesh. De heractivering van de oorlog tegen de Koerdische minderheid toont de wil van de AKP de uitvoering van het plan « Juppé-Wright » voort te zetten, zelfs na de gedeeltelijke terugtrekking van Qatar en Frankrijk.

Desondanks heeft een fundamenteel element de situatie veranderd: Israël en Saoedi Arabië, die tot voor kort het idee ondersteunden een Koerdistan en een Soennistan in Irak en Syrië te creëren, zijn er van nu af aan tegen. Tel-Aviv en Ryad weten voortaan dat deze twee nieuwe Staten, zouden ze er ooit komen, niet onder hun controle zouden staan, maar onder die van Turkije, die zijn imperiale ambities niet meer onder stoelen of banken steekt en de facto een regionale reus zou worden.

Met een omwenteling waarvan het Midden-Oosten het geheim kent, zijn Israël en Saoedi Arabië dus tot een akkoord gekomen om zich tegen de dwaasheid van president Erdoğan te verzetten en om de PKK onderhands te steunen ondanks diens marxistische identiteit. Bovendien heeft Israël al met de traditionele vijanden van Turkije, het Griekenland van Aléxis Tsípras en het Cyprus van Níkos Anastasiádis, contact gezocht.

Dat hierover geen misverstand bestaat: Recep Tayyip Erdoğan heeft de burgeroorlog gekozen als enige persoonlijke politieke uitweg. Na de verkiezingen te hebben verloren en er in geslaagd te zijn de formatie van een nieuwe regering te blokkeren, poogt hij zijn volk bang te maken en òf de MHP (nationalistisch) te overtuigen de AKP (Islamistisch) te steunen voor het vormen van een coalitie regering, òf nieuwe verkiezingen uit te schrijven, en die te winnen.

De anti-terroristische operatie die zich voorgeeft tegelijkertijd tegen Daesh en tegen de Koerdische bevolking te strijden, richt zich bijna uitsluitend tegen de PKK en de PYG (zijn Syrische alter ego). De bombardementen zogenaamd tegen Daesh hebben niets vernield. Tegelijkertijd heeft M. Erdoğan een gerechtelijk onderzoek aangevraagd tegen de Koerdische leiders van de HPD, Selahattin Demirtaş en Figen Yüksekdağ. Het parket beschuldigt de eerste ervan tot geweldpleging tegen niet-Koerden te hebben opgeroepen —hetgeen absurd is— en de tweede de PYG te steunen, een militie van het Arabische Syrische leger en dus, volgens de magistraat, een terroristische organisatie.

De burgeroorlog die aanbreekt zal niet dezelfde zijn als die van de jaren 90. Hij zal veel breder en veel dodelijker zijn. Zowel omdat er buiten Turkije geen enkele bondgenoot meer is, als omdat de Islamistische politiek de Turkse maatschappij heeft verdeeld. We hebben dus niet aan de ene kant de door de Navo gesteunde Turkse instellingen en aan de andere de PKK gesteund door Syrië, maar een fragmentatie van de Turkse maatschappij: onkerkelijken tegen Islamisten; modernen tegen traditionalisten; alevieten tegen soennieten; Koerden tegen Turken.

Vertaling
Bart Ero

[1] Oorspronkelijk « Dageraad van de Odyssee » genaamd, de operatie tegen Libië was onder commando van generaal Carter Ham in zijn hoedanigheid van chef van de AfriCom. Maar hij kwam in verzet tegen de rol die al-Qaeda op het terrein toebedeeld was: de omverwerping van de Arabische Libische Jamahiriya, terwijl de coalitie alleen de burgerbevolking voorgaf te beschermen. Hij werd van zijn functies ontheven ten behoeve van de Navo, en de operatie werd vernoemd tot « Geünificeerde beschermer ».

[2] De bewoners van Benghazi weigerden Tripoli aan te vallen na het de facto verkrijgen van hun onafhankelijkheid. De Misrata’s waren geëncadreerd door al-Qaeda.

[3] Om preciezer te zijn: Parijs trok zich terug uit de oorlog in maart 2012 na de val van het Islamitische emiraat Baba Amr en na de restitutie van de krijgsgevangen gemaakte Franse legionairs. Maar president Sarkozy slaagde er niet in herkozen te worden in mei en zijn opvolger, François Hollande, hernam de oorlog in juli.

[4] De stad is ook bekend onder de naam van Antakya of Hatay.

[5] De Eerste minister ensceneerde een debat met de chef van zijn oppositiepartij in het Lagerhuis tijdens welke ze elkaar van repliek dienden daarbij dezelfde tekst lezend. Het Verenigd Koninkrijk kon zich zo uit de oorlog terug trekken zonder Turkije openlijk te beschuldigen. De Verenigde Staten deden hetzelfde.

Artikelen onder de Creative Commons licentie

U kunt de artikelen van het Voltaire Netwerk vrij reproduceren op voorwaarde de bron te vermelden en ze niet te veranderen noch ze voor commerciële doeleinden te gebruiken (licentie CC-BY-NC-ND)

Het Voltaire Netwerk ondersteunen

U gebruikt deze site waar uw kwaliteits-analyses vindt die u helpen uw opvatting van de wereld te smeden. Deze site kan zonder uw financiële steun niet voortbestaan.
Helpt ons met een bijdrage.

Hoe aan het Voltaire Netwerk deel te nemen ?

De animators van het netwerk zijn allen vrijwilligers.
- Vertalers op beroepsniveau: u kunt aan het vertalen van de artikelen deelnemen.